Speurneuzen en lekker eten

Afgelopen weekend kocht ik eindelijk eens een boek van Andrea Camilleri. Zijn detectivereeks, die zich op Sicilië afspeelt, met commissaris Montalbano in de hoofdrol, stond al heel lang op mijn lijstje. Ook en vooral omdat er in recensies altijd op gewezen wordt dat die Montalbano zo van lekker eten houdt.

Zo zat ik zondag dus lekker op de bank met het boek Sporen in het zand. En helaas, het viel tegen. Ja, de commissaris eet. Hij gaat elke dag lunchen bij een restaurantje in de buurt van zijn werk. Voelt hij zich goed, dan eet hij uitgebreid en maakt daarna een wandeling. Voelt hij zich minder, dan eet hij ook minder en is de wandeling niet nodig. Verder heeft hij een huishoudster die zijn avondmaaltijd voor hem in de koelkast achterlaat. En die eet hij met smaak op, liefst op zijn veranda. Vaak maakt de huishoudster een visje voor hem klaar, dat Montalbano dan zelf opwarmt. Opgewarmde vis? Hm.

Maar Sporen in het zand viel me ook tegen omdat veel personages niet of nauwelijks beschreven worden, zodat je je maar moeilijk een beeld van ze kunt vormen. En dan de ontknoping. Die draait helemaal om het feit dat de commissaris een hoefijzer in zijn broekzak gestoken had en dat vervolgens vergeten was. Een hoefijzer! Dat voel je echt wel zitten in je broekzak, ook als het het lichtgewicht hoefijzer van een renpaard is.
Ik vond het overigens geen vervelend boek – het leest als een trein – maar het kan gewoon veel beter.

Brunetti
Neem de intelligente, filosofisch ingestelde Commissario Brunetti van schrijfster Donna Leon. Hij verricht zijn speurwerk in Venetië en die stad (en zijn omgeving) speelt een grote rol in zijn avonturen. De straten, bruggen, paleizen en natuurlijk het water en de vele bootjes: het lééft in de boeken van Donna Leon en je ziet het allemaal voor je. Hetzelfde geldt voor het eten en de wijn. Waar Montalbano ‘een fles wijn’ opent, drinkt Brunetti een rosato van Masi of een Prosecco uit Valdobbiadene. Waar Montalbano nogal passief tweemaal daags zijn maaltijd tot zich neemt, loopt Brunetti regelmatig over eten, ingrediënten en bereidingswijzen na te denken. Hij houdt van de markt en weet waar de beste spullen te krijgen zijn.

Misdaad in Marseille
Het allermooist echter deed schrijver Jean-Claude Izzo het. Hij is helaas tamelijk jong overleden, dus we moeten het doen met de vier misdaadromans die hij schreef: Chaos, Chourmo en Solea (gebundeld in Misdaad in Marseille en met de in de marge van het politieapparaat opererende agent Montale in de hoofdrol) en Les marins perdus, vertaald als Eindpunt Marseille. Schitterende boeken (ondanks een overdosis seksisme hier en daar), soms nogal rauw, overlopend van levenslust in combinatie met pijn en verdriet. Een flink citaat uit Chourmo om de sfeer aan te geven:

Als je niets te doen hebt, is er weinig aangenamer dan ’s ochtends een hapje te eten met uitzicht op zee.
Fonfon had een anchoïade gemaakt, die hij net uit de oven haalde. Ik kwam terug van het vissen, voldaan, en bracht een mooie zeewolf mee, vier goudbrasems en een stuk of tien hardervissen. De anchoïade droeg bij aan mijn geluksgevoel. Ik ben altijd gelukkig te maken met eenvoudige genoegens.
Ik maakte een fles rosé uit Saint-Cannat open. De kwaliteit van de rosé uit de Provence bracht me ieder jaar meer in verrukking. We klonken, om de smaak weer te pakken te krijgen. Deze wijn, van de Commanderie de la Bargemone, was verrukkelijk. Op je tong voelde je de heerlijke zonneschijn van de kleine wijngaarden tegen de hellingen van La Trévarèse. Fonfon gaf me een knipoog en daarna doopten we ons brood in de anchoïade, op smaak gebracht met peper en gehakte knoflook. Bij de eerste hap leefde mijn maag op.
‘Potverdorie! Dat is lekker, zeg!’
‘Vind ik ook.’
Meer viel er niet over te zeggen. Een woord meer zou een woord te veel zijn geweest. We aten zwijgend. Starend naar de zee.

En zo verder. En denk niet dat er nauwelijks iets gebeurt in deze serie, want de kogels en klappen vliegen je om de oren en de hele onderwereld van Marseille komt voorbij.

Maigret
Natuurlijk moet ik ook nog even mijn oude vriend Maigret noemen. Met hem ben ik praktisch opgegroeid, en de boeken van Georges Simenon over deze knorrige, maar wijze commissaris lieten mij voor het eerst zien dat er – ook wat eten en wijn betrof – nog heel andere werelden bestonden dan die waarin ik opgroeide. (Godlof!)

Ach ja. Weet je wat, ik geef Montalbano gewoon nog een kans. Want hij geniet wel voluit van de caponata die zijn huishoudster voor hem klaarmaakt. En dat pleit toch weer voor hem. Alleen dat hoefijzer….

Comments are closed.